HEEMKUNDIGE KRING

Sint-Huibrechts-Lille

Hop hop hop

Het is de mens, door alle tijden heen, eigen geweest te werken op een ritme dat hij zelf bepaalde en tot uiting bracht door allerlei klanken. Deze klanken werden later in woorden omgezet en met deze woorden ontstonden liederen. Naarmate het arbeidsgebeuren zich meer en meer moderniseerde en mekaniseerde was er geen behoefte meer aan kadans of ritme. Het arbeidslied verdween. Zoals in vele gevallen, is in het kinderleventje veel behouden, wat in de volwassen wereld verloren ging.

"Adam en Eva zaten in een schip
Hip - hip - hip
Adam en Eva zaten in een schip
Hip - hip - hip"

Zo zongen de meeste meisjes een van de vele liedjes in hun kinderjaren. Met dit wijsje zitten wij meteen in de wereld van het touwtje springen. Dit spel werd meestal beoefend in de lente of de herfst, hetzij allen of in groep. De springkoord kon variëren van een mooie stevige koord, met aan beide uiteinden een hel gekleurde handvat, tot een gewone alledaagse koord zonder handvatten. Bij dit touwtje springen, werd het ritme of kadans aangegeven, bij middel van de meest uiteenlopende liederenschat.
Uit de gebruikte teksten blijkt dat bepaalde liedjes afkomstig zijn uit andere streken. Het beste voorbeeld hiervan zijn wel de volgende liedjes:

"J'ai des fleurs jolies
apetee d'Paris - aporté de Paris
do - re - mi
fa - sol - la
do - la, do - la"

 

Of nog:

"L'autre jour de ma chebrette
(dans ma chambrette)
Ma chebret di a ho
Ma petitte cigarette
Alemale di a ho
Do re mi fa sol la si do
Do re mi fa sol la si do."

Het meest voor de hand liggend, wat de herkomst van dit soort lied betreft, is het feit dat meer gegoede meisjes franstalig onderwijs volgden. Gedurende hun verlof werden de woorden door andere kinderen be-luisterd en op hun eigen manier onder woorden gebracht. Er waren ook uitsluitend Vlaamse liedjes waarvan de betekenis aan de fantasie van de toehoorder werd overgelaten, o.m.:

"Vis, vis, lange vis
die vanne nacht gevangen is
vanne een, twee, drie"

Of:

"Eske bedeske gloria, hoepsasa, hoepsasa
Eske, bedeske gloria, hoepsasa, hoepsasa
1-2-3-4-5-6-zeuven, ich goi noa Leuven,
ich goi noa Leuven (2x)" 

Meer verhalend was het volgende liedje:

"Rosalie die ging eens wandelen
En zij nam haar zusje mee
En zij klom maar op de bergen
En zij liet haar zus allen
't Was niet schoon van Rosalie
Dat ze hare zus liet staan
En ze moest van hare moeder
Naar een andere school toegaan."

Een meer recent springliedje duidde het ritme aldus aan:

"Ik heb een jasje gekocht
naar de naaister gedaan
zo gezegd, zo gedaan, om naar huis te gaan
inspring (naam), inspring  in
uitspring (naam), spring uit."

Kinderspelen waren altijd min of meer verbonden met de natuur. Wanner het in de zomerse dagen te warm was voor het touwtje springen, werd meestal overgeschakeld naar het balspel of ronddansen. De helge-kleurde kaatsbal, door Sinterklaas meegebracht, werd dan veilig in een gebreid netje opgeborgen en mee naar school genomen. Het balspel werd alleen of in groep gespeeld. Bij één van deze groepsspelen dienden er geraden te worden wie de bal in het bezit had. Een der spelers wierp dan de bal over zijn hoofd naar achteren. De opgestelde kinderen probeerden deze te pakken. Diegene die de bal bemachtigde, verborg hem achter de rug. In koor riepen dan al de kinderen:

"Antoinette wie heeft de bal
Draai u om
Dan weet weet je 't al."

Deel 2

Werd niet aan balspel gedaan, dan was het "ronddansen" zeer in gebruik. Bij de kleinsten was het favoriete liedje meestal:

"Ringele ringele roezen
Boter in de doezen
Eier in de kasten
Meurge zullen we vasten
Overmeurge scheupke slachten
Dè zal schreuwe, blèè"

Of:

"Blauwe bloemekes kransen
De juffrouw die moet dansen
De juffrouw die moet stille staan
En driemaal in de ronde gaan
De juffrouw die moet knielen
En weer een ander kiezen
En dat zal zijn
En dat zal Mathilleke zijn"

De grote kinderen hielden het meestal bij spelen, met meer beweging, o.a. zakdoekleggen en dat gebeurde met het volgende liedje:

"Zakdoek leggen, niemand zeggen,
Koerlekoe de haan die kraait
Hij heeft twee paar schoentjes aan
Eén van stof, één van leer
Hier leg ik mijn zakdoek neer."   

Waar de voorgaande teksten nog enigszins begrijpelijk voorkomen, is er aan de volgende tekst geen touw meer aan vast te knopen:

"De keizer van Rome
Napoleon zijn zoon
Hij was nog te klein
Om keizer te zijn
Van wiedewiet, draai u maar om
Paula, Paula, waar is uw mama
Handen in de zij
Handen op de borst
Wat heb ik dorst.
O mij liefste...wat zult ge toch wezen
O mijn liefste...wat zult ge toch zijn
In de kaste ligt er suiker
Als ge er aankomt dan krijgt ge van links en rechts."

Een veel voorkomend spel betrof het maken van een rij, waarbij een kind tegen de muur stond, terwijl de andere kinderen onder diens arm doorkropen, al zeggend:

"Mamake, papake, laat het menneke door."

Een maal in een kring, namen zij elkanders hand, en maakten de beweging van het zagen, terwijl er verder gezongen werd:

"Zage, zage, wiede wiedewagen
...kwam een boterham vragen
Moeder was niet thuis
Vader was niet thuis
Piep zei de muis in het zomerhuis."

Om er voor te zorgen dat iemand op een eerlijke wijze het spel mocht leiden, of als eerste aantreden, de-den de kinderen beroep op aftelrijmpjes, die wat hun fantasie betreft voor niemand of niets moesten onder-doen.
Ook hier weer een franstalig rijmpje:

"Un, deux, trois,
Vous êtes en haut
Vous êtes en bas."

Veel gebruikt werd het volgende aftelrijmpje:

"Pot, rommele, rommele in de pot
Waar is jan en waar is zot
Zot is in de paardestal
Wat is hij daar verloren
Allebei zijn oren
Wacht maar tot hij thuiskomt
Dan zal hij er wel van horen
Rien, tien, dubbel tien,
vijfentwintig en vijftien."

Al naargelang de omstandigheden werd iemand uitgeteld als volgt:

"Ik ging eens naar de bakker
Ik kocht er een brood
Een blauw en een rood
Welk kies jij,
Een blauw of een rood (kiezen)
Wij zullen eens gaan zien
Of gij niet gelogen hebt."

Er waren tevens minder vriendelijke rijmpjes in omloop, die deels in gebruik waren om te plagen, en deels om zijn ongenoegen te doen blijken.
Iemand die aan de luie kant was, kreeg wel eens te horen:

"Jan mijne man is altijd ziek,
Midden in de week, maar 's zondags niet.
's Zondags gaat hij pintjes drinken
En 's maandags ligt hij in zijn bed te stinken.

Veelvuldig in gebruik en doeltreffend waren de volgende rijmpjes:

"Hollander, bollander, koeketel, spekdief
Rooi nel, snotbel
Anneke, tanneke, toverheks
Luilak, beddezak
Eierdop, kletskop"

Plaagrijmpjes waren er eveneens voorhanden. Als kinderen de koster onder ogen kregen dan moest deze ijverige man dikwijls horen:

"Bim-bam belleke
De koster zit in het schelleke
Wie is er dood
Een oud grijs menneke
Wij zullen hem begraven
Te Eksel in de haven
De ekster in de grote koel
Daar ligt hij op zijn dikke moel."

Of:

"Bim-bam beieren
De koster lust geen eieren
Wat lust hij dan, spek in de pan
En een dikke boterham."

En als je toevallig als Janssen of Ras geboren was, dan kon je al eens horen:

"Juffrouw Janssen
Stond te dansen
Op een berg
Zonder Erg"

"Jan Ras zat in de klas
Moeder meende dat het boter was
Moeder sneed er een stukske af
Ai, ai zei Janneke Ras."

Plezierige rijmpjes zijn te beluisteren als Katrientje moet leren spreken en mama haar best doet om het vol-gende aan te leren:

"Meet de pijp in de mond
En de borrel in de zak
Zo ging hij naar zijn gebuur
De gebuur was niet thuis
Toen ging hij naar zijn huis
Het huis dat was gesloten
Toen ging hij naar de poorten
De poorten waren toe
Toen ging hij naar de koe
De koe die wou hem slaan
Toen ging hij naar de baan
De baan die was te glad
En Jan viel op zijn gat."

Het kon eveneens gebeuren dat een kindje last had om de letter "l" uit te spreken. Met het volgende rijmpje kon dit gebrek wel worden verholpen:

"Leentje leerde lopen
Langs de lange Lindelaan
En toen Lotje niet wou lopen
Liet Leentje Lotje staan."

De knieën van vader waren meer dan eens een dankbare plaats voor een kleine kleuter om er zich te amu-seren. Terwijl vader de knieën op en neer bewoog, zong hij tot grote vreugde van zijn kleine peuter:

"Ju, ju, paardje op de trap
Morgen is het zondag
Dan komen alle heren
Met hun bonte kleren
Dan komen alle vrouwen
Met hun bonte mouwen
Dan komt Jan de Akkerman
Haru, haru, haru."

Verwonderlijk is het in ieder geval, en dit in tegenstelling tot hetgeen werd gemeend, toen aanvang werd ge-maakt met dit artikel, hoe veelvuldig de rijmpjes nog bestaan in al hun soort. Sommige zijn verdwenen, terwijl er van andere rijmpjes varianten zijn  ontstaan.
Het kind gaat meestal af op zijn gevoelen om kadans of ritme vast te stellen. In de gegeven omstandigheden worden de woorden betekenisloos en zonder probleem door andere vervangen.
Indien er lezers zijn die nog varianten kennen op de rijmpjes zoals hierboven beschreven of zelfs andere tekstjes kennen, dan zal de Heemkundige Kring deze graag in haar archief bewaren.

 

Een jaarabonnement kost € 12,00  Abonnee worden?