HEEMKUNDIGE KRING

Sint-Huibrechts-Lille

Kinderspelen

Er kwam een tijd dat opgroeiende kinderen niet meer zo volgzaam waren als vader en moeder het wilden. Liever dan slapen gaan bleven de kinderen bij de grote mensen. Al wat niet kon of mocht werd juist door deze bengels gedaan! Alhoewel de opvoeding streng werd doorgevoerd, konden de ouders niet blijven dreigen met in de hoek te moeten staan en met het geven van een draai rond de oren. Aan de dreigementen werden de kinderen gewend en "het in de hoek staan" werd daarentegen meestal handig omzeild.

Niet te omzeilen was echter het dreigend spook van het onbekende. Om te vermijden dat hun kinderen on-deugend zouden zijn of allerlei kattenkwaad zouden uithalen, hadden ouders een deugdelijk wapen achter de hand. Er was de onbekende kwelgeest. En tegen dit onbekend iets kon de stouterik zich amper verweren.Het was ergens onzichtbaar en kwam slechts te voorschijn op het ogenblik dat hun kind stout en ongehoorzaam was. De Boeman, want dit was immers het geheimzinnig iets, vertoonde zich in de meest verscheidene vormen. Menig landbouwer dreigde met het "korenmanneke" als de kinderen door zijn korenland liepen. Een beschrijving van zulk manneke werd nooit gegeven. Het volstond te weten dat je bloed werd uitgezogen als je gepakt zou worden. Kinderen die toch het risico namen, om een mooie blauwe korenbloem te plukken en zich wat te ver in het korenveld waagden,  werden door hun vriendjes bedacht met het volgende lied:

"Hedde genen wolf in het korenveld gezien
Hadde 'm niet zien lopen
met zijn kromme poten,
Hedde 'm niet zien gaan
met zijn holle blokken aan"

Als er winterdag kon "geslipperd" worden op de sloten, werd dit volgehouden tot de duisternis reeds was ingevallen. Als moeder riep voor het avondeten werd deze uitnodiging zonder meer over het hoofd gezien. Anders werd het als moeder begon te dreigen, dat de "vriezeman" zou komen als er niet gehoorzaamd werd. En met zekerheid dat moeder de waarheid sprak, werd de ijspret vlg opgeschort.
De "vriezeman" moest toch eens komen......

 

Janneke Maan, en zeker als hij volrond, verluchtend aan de hemel stond, leek wel een vertrouwelijke vriend omdat hij zoveel licht verspreidde. En toch als je vader moest geloven, was Janneke Maan toch niet de eerste de beste. Als je goed keek zag je op de maan een manneke rondlopen met een takkenbos op zijn rug. Omdat hij onlangs op een zondag hout gesprokkeld had, was dit manneke op de maan verbannen voor eeuwig en altijd. Hoe dit manneke op de maan verzeild geraakt was, en wie dit manneke dan wel was, was al voldoende om voorlopig "de beste voornemens" te maken.

Ouders hadden verschillende "mennekens" in petto, al naargelang de omstandigheden. Met het "putmen-neke" werd gedreigd als het kind zich aan de putrand trachtte op te hijsen. Omdat onze ouders en voorouders ook prachtige boomgaarden bezaten, zal het niemand verwonderen dat meerdere kinderen met neergeslagen ogen langs deze boomgaarden liepen! Het "appelmenneke" moest eens in de boomgaard zitten.! Minder bekend in onze streken was de "Bietebouw" als de kwade geest. Gekend is echter wel het lied, gedicht door René Declerq en getoondicht door Emiel Hullebroeck, en welk lied we voor enige tijd op band kondenopnemen:

"Kleine, kleine stouterik
zoudt gij tegen moeder tergen
wacht ik zal hem roepen ik
uit de zwarte bergen
grijp, grap, grimmeland,
zonder lip of zonder tand,
grijp, grap, grauw, de bietebauw."

Van deze vroegere kwelgeesten zijn er heden ten dage niet veel meer overgebleven. Zelfs de paasklokken, die in betere dagen stenen lieten vallen in de plaats van eieren, als een kind gedurende hun tocht, naar buiten kwam, zouden zich thans dood schamen om nog maar een enkel pietleuterig steentje te laten vallen. En wat te zeggen van zwarte Piet die in de laatste jaren dermate is gedegradeerd, dat de kinderen in hem nog maar alleen een ordinaire pakjesdrager zien.

Deel 2

Kinderen waren niet altijd stout. Ze konden braafjes spelen in hun vrije tijd. Ieder seizoen had zo een beetje zijn eigen charme wat deze spelen betrof. Niemand kommandeerde deze spelen. Er werd aan begonnen en opeens was dezelfde bezigheid toch alweer verdwenen om plaats te maken voor een ander spel. Samengevat: al naargelang het jaargetijde veranderde, werden ook de kinderspelen aangepast.

Nauwelijks de lente begonnen, werden in grachten en sloten molentjes gebouwd, die door het wegvloeiende water werden voortbewogen. Met kunstige hand werden van elzen- of wilgenhout fluitjes vervaardigd. De grote moeilijkheid was dat het enig doorzicht vroeg de schil of bast van het houten gedeelte af te halen. Ook de "eike mulders" of de meikevers waren niet weg te denken uit het leven van een kind. In de meimaand had ieder kind wel een luciferdoosje, waarin samen met enkele groene eikenblaadjes een meikever was geborgen. Wel werd zorg gedragen geen wijfje in zijn bezit te hebben vermits elkeen die met een wijfje opgeschept was, mocht overtuigd zijn binnen de korst mogelijke tijd behept te zijn met het "krauwsel".
De afstand tussen de school en thuis werd meestal al lopend afgelegd met in de hand een reep "fietsenwiel met een stok voortbewogen" of een koordje waaraan het deksel van een schoenpoetsdoos was vastgemaakt.

In volle zomer werden korenaren afgeplukt. Met behulp van een toespeld werden de zachte korrels uit de aar gepikt en opgegeten. Een der voornaamste spelen ten minste wat de jongens betreft, was gedurende de zomer het "Huvenspel". Deze "huven" of knikkers waren meestal uit klei vervaardig en ze bestonden uit verschillende kleuren. Het "Hèkske" een iets dikkere knikker en zilver gekleurd, was bij een groot verlies van knikkers, de enige hoop op redding. Deze knikkers, waarvan St.-Niklaas gewoonlijk de grote leverancier was, waren iets dikker dan de knikkers uit klei, en ze bezaten inwendig mooie gekleurde en gedraaide figuren. De knikkers werden gebruikt bij een viertal spelen. Een daarvan was "tikkes en spannes", wat inhield dat de speler met zijn geworpen knikker eerst en vooral de knikker van de tegenpartij moest geraakt hebben, doch eveneens de afstand tussen beide knikkers moest kunnen overbruggen met gespannen duim en wijsvinger. In deze gegeven omstandigheden moest de tegenpartij zijn knikker afgeven.
Het "preut gooien" was eveneens in gebruik. In dit spel werden acht knikkers op elkaar geplaatst in de volgorde van vier als basis, gevold door een opbouw van drie en één. Hij die de "preut" kon omverwerpen, werd de eigenaar van de knikkers die gebruikt werden door de andere spelers bij hun poging om de "preut" omver te werpen. Eenvoudiger was het spel van "paar en onpaar". Het was een gokspel en kan vergeleken worden met het huidige "stekjes raden".
Een andere mogelijkheid tot knikkeren bestond erin, dat een aantal spelers hun knikker in een boogvormig uitgehold vlak in het zand wierpen. Hij die het hoogste kwam te liggen kreeg de knikkers die zich in dat vak bevonden. Zo twee knikkers even hoog lagen werd dit als pot aanzien. Deze pot werd toebedeeld aan de speler die het volgende spel won.
Een moeilijker spel was het "potten", waarbij de spelers minstens drie knikkers in de hand moesten hebben. Deze drie of meer knikkers werden met een zelf gekozen snelheid in een in de grond gemaakte holte geworpen. Voorafgaandelijk diende de speler op te geven of er een paar of een onpaar aantal knikkers buiten de holte zouden liggen.
Een ander spel werd gespeeld met de "bollerik". Deze knikker was merkelijk dikker dan al de anderen en vervaardigd uit cement of witte zandsteen. Het gebruik ervan was ook anders. En zo kon men zien dat ge-durende bepaalde periodes de speelplaats of zelfs een plaats thuis, voorzien was van een aantal merkwaardige "slangen". Gelijk de slang zich in allerlei bochten kon voortbewegen, zo werd ook de slang , waarin met de "bollerik" werd gespeeld, met allerlei grillige vormen in het zand getrokken. Bevoorrecht was hij die in het bezit kon geraken van een "looi". Dit was een "bollerik" uit metaal en kwam vooral uit kogelllagers. Mogelijk zijn er nog varianten geweest in dit knikkerspel. Nieuwe wegen, fietspaden en de geplaveide speelplaatsen hebben er toe geleid dat het "huvenspel" is verminderd, zij het al niet verdwenen op vele plaatsen

Eenmaal het flierenhout beschikbaar was, begon het tijdperk van de "schietpiep". Het merg werd uit het flierenhout gehaald. Uit hondshout werd dan een stamper gesneden en gepast in de holte van het flierenhout. Als schietmateriaal werd gebruikt de hondsbes voor kleinere schietpijpen en de elzenstop voor de grotere. Waren er geen bessen voorhanden dan werd papier tot een prop gekauwd en als schietmateriaal gebruikt. Het gebeurde in die dagen meermaals-en niemand zal er verwonder over zijn-dat er wel eens fikse ruzies ontstonden, wanner de ene de andere met een "schietbes" had geraakt.
Een ander zij het meer gevaarlijk wapen was de "katteprul". Dit schiettuig bestond uit een houten kruk waaraan twee stukken elastiek (litsen) waren bevestigd. Op hun beurt waren deze stukken elastiek verbonden met een stuk leder of katoen. In dit gebogen stuk werd het weg te schieten projectiel gelegd. Meestal werd dit speeltuig door de ouders en onderwijzers verboden. Niettemin bezat praktisch elke jon-gen een "katteprul".

Andere vormen van spelen waren de "dop" en de "snor". Dit laatste was een afgeknaagd varkensbeentje waarin een gaatje was gebrand. Door dit gaatje werd een dubbel koordje aangebracht zodat het varkensbeentje eerst kon opgedraaid en daarna afgetrokken worden. Bij het aftrekken bracht het beentje een snorrend geluid voort. Wie geen beentje had, maakte gebruik van een knoop.

Meer naar de herfst toe en vooral na het rooien van de aardappelen, werden gevonden aardappelen aan een stok geprikt, gebakken in het vuur van het brandend aardappelloof en daarna lekker opgesmuld. Rond die tijd begon men er ook aan te denken om papieren vliegers te maken, die bij harde wind werden opgelaten. Bieten werden uitgehold en tot doodshoofd verwerkt, met daarin een brandende kaars.
Als het dan winter werd, was moeders kolenzeef telkens weer zoek, omdat het ergens buiten dienst deed  als vogelvanger. Aan de voorzijde rustte dit zeef op een stokje waaraan een koord was vastgemaakt. Onder het zeef werden kruimels gelegd. Eenmaal dat een hongerige vogel onder het zeef eten pikte, werd aan de koord getrokken en werd de vogel onder de vallende zeef gevangen. Meestal werd uitgezien naar een merel. Deze werd gekooid en goed verzorgd. In de daarop volgende lente werd er dan met plezier geluisterd naar het gefluit van die merel, wat meteen een uitnodiging was om opnieuw te beginnen met het maken van...fluitjes van elzen-of ander hout.   

 

Een jaarabonnement kost € 12,00  Abonnee worden?