HEEMKUNDIGE KRING

Sint-Huibrechts-Lille

Paaswoensdag 12 april 1651

lille 1350 jaar geleden was er paniek in Lille. De tiendenklok van de gemeente sloeg alarm in de toren. Mensen vluchten met vee naar de schans op de Broekkant, anderen hadden hun spullen in de kerk ondergebracht; ook de kisten of kompen met archief van parochie en gemeente stonden er.

De mensen hadden angst voor de Lorreinse troepen; sinds 1648 maakten zij de streek onveilig.

Op 6 december 1648 waren er op de Donderslag te Meeuwen 400 huislieden of schutters van de ambten van Stokkem en Ham gedood. Zij waren niet opgewassen tegen deze huursoldaten van Karel IV van Lotharingen of Lorreinen. De schutters of huislieden of burgerwacht vormden de enige verdediging van de burgers in het prinsbisdom Luik. Dit had immers geen eigen leger en voerde een neutraliteitspolitiek.

 

De burgerwacht of schutters van Lille waren dus zeker niet opgewassen tegen deze troepenmacht. Het resultaat was dan ook dat Paaswoensdag 12 april 1651 een zwarte dag vormt in de geschiedenis van Lille. Op een bevolking van ongeveer 500 inwoners vielen 30 doden te betreuren!!!

Wat was de aanleiding tot dit moorddadig gebeuren op Paaswoensdag 12 april 1651?

De gebeurtenissen te Lille kunnen verklaard worden vanuit de grote politiek: sinds de Beeldenstorm in 1566 probeerde het Spaanse Bewind de afscheuring van de Verenigde Provinciën te beletten. Dit gaf aanleiding tot de Tachtigjarige oorlog (1568-1648). Frankrijk koos hierbij partij voor de Verenigde Provinciën en hoopte de Zuidelijke Nederlanden te kunnen inlijven. Door een streven naar een versterking van het keizerlijke gezag in Duitsland ontketende Ferdinand II de Dertigjarige oorlog (1618-1648), waardoor Duitsland, Zweden en Frankrijk slaags geraakten.

De vrede van Westfalen of Münster in 1648 maakte een einde aan deze zwarte periode uit de geschiedenis. Zij bekrachtigde de verdeeldheid van Duitsland, de machteloosheid van Spanje en de definitieve scheuring van de Nederlanden. De Spaanse koning moest er genoegen mee nemen dat de katholieke godsdienst verboden bleef in de Verenigde Provinciën. Dit vormde de directe aanleiding tot het ontstaan van de Achelse kluis, een grenskapel waar de mensen uit Noord-Brabant terecht konden voor de katholieke diensten.

Wat heeft Lille hier nu mee te maken?

Lille, vanaf de 16de eeuw ook Sint-Huibrechts-Lille geheten, maakte deel uit van de heerlijkheid Grevenbroek en hoorde sinds 1401 (nu 600 jaar geleden) bij het prinsbisdom Luik. Het prinsbisdom Luik streefde een neutraliteitspolitiek na. Luik had hierdoor de vrijheid met alle oorlogvoerende partijen handel te drijven. Maar de neutraliteit was door de grotere landen erkend onder voorbehoud van doortocht voor hun troepen. (1)

Het gevolg voor onze streken was een niet nalatende stroom van troepen die het Luikerland doorkruisten in allerlei richtingen. Vooral de plattelandsbevolking had van die militaire door-tochten veel te lijden. De toenmalige legers bevoorraadden zich in de streek waar ze voorbijtrokken of verbleven. Ze waren verplicht hun 'leeftocht' te betalen. Daar kwam gewoonlijk niets van in huis, zodat het platteland stelselmatig verarmde.

Een voorbeeld van zo'n bevoorrading in de periode van de 80-jarige oorlog vinden we in het Kompenboek:

"Eodem (=dezelfde dag) Catharina POELMANS huijs-vrauwe van Jan OP DEN HEUVEL declareert (verklaart) onder eedt als… dat dito (deze) troepen de staldeuren met gewelt opengebroken daer uijt gehalt 1 stier, van het huijs alle de glasen ingeslagen (de vensters vernield), een deur van het huijs in stuck geslagen, 1 hesp, een bil stuck daar uijt gehalt, een hin, haere comparante verschijde reijse (verschillende keren) des pistolen op het hert geset niet anders meijnende als te sterven in toto 18 gulden - 16 stuivers (de totale schade geraamd op 18 gulden, 16 stuivers)." (2)

In 1636 hadden heel wat Lilse families last van de "Ruyters", Kroatische troepen onder leiding van generaal Jan van Weert. Naast de plunderingen stierven ook heel wat mensen ten gevolge van de pest. (3)

Behalve de geregelde legers waren er ook muitende soldaten, af-gedankte huursoldaten en allerhande gespuis die zich trachtten te 'bevoorraden'. Op het platteland bestond hiertegen weinig verhaal. In de 16de eeuw werden daarom schansen gebouwd: afgelegen plaatsen waar men met vee kon schuilen of men vluchtte in de kerktoren. Om zich te verdedigen stond prins-bisschop Gerard van Groesbeek in 1577 toe dat de drossaards afdelingen huislieden of schutters onder leiding van een kapitein oprichtten. Prinsbisschop Ernest van Beieren vaardigde in 1587 een reglement uit dat alle mannen van 18 tot 59 jaar dienst-plichtig maakte. Deze burgerwacht noemde men de huislieden. Als de klok luidde of de kapitein het bevel gaf, moest iedereen zich naar de afgesproken plaats begeven.

De Lorreinse troepen

Eén van die muitende bendes na 1648 - toen dus de vrede van Münster al gesloten was - waren de Lorreinen. Hoe kwamen zij in Lille terecht?

Karel van Lorreinen

Dit heeft te maken met de bevelvoerder van dit leger, namelijk hertog Karel van Lorreinen of Lotharingen.

Hij was in 1604 geboren als zoon van Charles, hertog van Lotharingen en Claude, dochter van de Franse koning Henri II. De jonge Karel volgde zijn vader op in 1624.

In 1631 werd hij evenwel door de Franse koning Lodewijk XIII van zijn hertogdom beroofd omwille van zijn sympathie voor het Duitse keizerrijk.

Nadat hij door de Franse koning was afgezet, stelde hij zich met zijn soldaten ten dienste van de Spaanse regering van de Zuidelijke Nederlanden en sloot met hen een overeenkomst om mee te vechten in hun oorlog tegen Frankrijk. (4)

Het probleem met Karel van Lorreinen en zijn troepen was, dat zij na de vrede van Münster niet terug naar Frankrijk konden, want hij was zijn hertogdom kwijt. Dus bleef hij en zijn troepen hier maar rondhangen. Karel zelf verbleef meestal in Brussel. Zijn soldaten sloegen hun winterkwartier bij voorkeur op juist binnen of juist buiten de grenzen van het prinsbisdom Luik. Zo zijn er verschillende meldingen bekend van hun verblijf in Diest en omgeving, en ook aan de Maas. Tijdens de wintermaanden werd niet gevochten.

Strategisch waren die verblijfplaatsen aan de grenzen van het prinsbisdom interessant. Ze konden vluchten naar een aan-grenzend gebied als het te heet onder hun voeten werd. Van de berooide hertog ontvingen de soldaten geen soldij, doch hij liet wel toe dat ze onderweg plunderden.

Ingevolge een akkoord tussen aartshertog Leopold van Oosten-rijk, gouverneur van de Spaanse Nederlanden, en de prinsbis-schop van Luik werd Karel van Lorreinen op 26 februari 1654 in Brussel aangehouden. In Antwerpen werd hij gevangengezet en van daaruit naar het Spaanse Toledo gevoerd. Na de vrede van Tienen, gesloten op 17 maart 1654, verdwenen de vreemde troepen uit onze gewesten. Bij de vrede van de Pyreneeën in 1659 werd Karel door de Franse vorst grotendeels in zijn rechten hersteld en kon hij naar zijn hertogdom terugkeren.

Wie was de bevelvoerder in Lille?

Naast Karel van Lorreinen worden nog twee andere bevelvoer-ders aangehaald bij de Lorreinen, namelijk Henri de Longue-ville en zijn schoonbroer Louis II de Bourbon, prins de Con-dé.

Henri de Longueville

Henri de Longueville

 

Henri II, duc (hertog) de Longueville werd geboren in 1595. Hij huwde in 1642 met Anne-Geneviève, dochter van Henri II de Bourbon, Prince de Condé. (5)

In 1645 was hij gevolmachtigde voor Frankrijk in Münster. Hij had als opdracht de belangen van Frankrijk te verdedigen. In 1646 moet het serieus misgegaan zijn tussen Longueville en Frankrijk: hij keerde zich met vele edelen tegen zijn land en zijn minister-kardinaal Mazarin. Hij probeerde het dan als luitenant van de hertog van Lotharingen, die zoals hierboven aangestipt zijn diensten had aangeboden aan de regering van de Spaanse Nederlanden.

In onze streken vinden we hem terug in 1648. In het verslag van de secretaris van Grote-Brogel van 6 december 1648 staat Longueville genoteerd als aanvoerder van de Lorreinen die het bloedbad aanrichtten in de heide bij Meeuwen.

In 1650 werd Longueville met zijn twee schoonbroers, Louis de Bourbon, prince de Condé, en Armand, Prince de Conti, door Mazarin aangehouden. Na zijn vrijlating trok Longueville zich terug in Normandië, waar hij in 1663 overleed.

 

 

 

Louis II de Bourbon, prins van Condé (6)

Loouis II de Bourbon prins de CondéHij was een telg uit een oud, Frans, adellijk geslacht. Hij werd in 1621 in Parijs geboren en bleek in zijn carrière een vroegrijp genie te zijn. Op amper 22-jarige leeftijd was hij al generaal en vocht tegen de Spanjaarden, Duitsers, enz. Voor 1648 leverde hij voor Frankrijk belangrijke veldslagen, waaruit hij telkens als overwinnaar tevoorschijn trad.

Nadien keerde hij zich tegen Mazarin. Godelieve Geerkens situeert de Condé en de Longueville tussen januari en maart 1650 in Tessenderlo. Hij werd in 1650 aangehouden met zijn jongste broer en zijn schoonbroer Longueville. Na 13 maanden werd hij vrijgelaten, maar hij zon op wraak. Begin 1653 kwam hij aan het hoofd van een huurleger Spanjaarden en Lorreinen in onze gewesten.

Op 26 januari 1654 verscheen hij voor de muren van Herk-de-Stad. Eind januari begonnen zijn troepen aan de belegering van Beringen, en van begin februari tot maart 1654 waren ze heer en meester in Peer.

Met de vrede van Tienen in 1654 heeft ook hij onze gewesten verlaten.

Met de Vrede van de Pyreneeën in 1659 werd de Condé, even-als Karel van Lorreinen grotendeels in zijn rechten hersteld. Hij keerde daarop naar Frankrijk terug en vocht later weer in dienst van Frankrijk. Hij overleed in 1687. Hiermee is onze uitgangsvraag nog niet beantwoord, namelijk wie was de bevelhebber te Sint-Huibrechts-Lille op 12 april 1651? Longueville en de Condé waren vermoedelijk nog in gevangenschap.

Dankzij het overzicht van Godelieve Geerkens van de ver-plaatsingen van de Lorreinse troepen tussen 1648 en 1654 kunnen we vaststellen dat in de periode van januari tot april 1651 de meeste baldadigheden plaatsvonden onder bevel van prins Darmstadt en kolonel Alemani, maar meer gegevens over deze bevelhebbers hebben wij voorlopig niet kunnen vinden.

Plundertochten en brandstichtingen door de Lorreinen

Zoals gezegd konden de troepen van de hertog Karel van Lorreinen na de vrede van Münster niet terug naar Frankrijk. Deze soldaten, die geen soldij meer ontvingen, trokken tussen 1648 en 1654 door onze streken met achter hen een spoor van vernieling, plundering, brandstichting…

Oude kronieken vertellen in geuren en kleuren over de wreedheden van de Lorreinen (7) :

"Vier achter een volgende iaren zijn de Lotteringen hier in deze landen geweest, en haer winter quartieren gehouden, swermende ten alle canten als bijen, ende hebben t' sedert die iaren naementlijck 1651, 1652, 1653 en 1654, soo in t' rijck van Aecken als in de landen van Luijck, Overmaese en Kempen ende rontsom Maestricht, soo in steden als dorpen, sulcken moetwille bedreven, dat het onmogelijck is te schrijven ofte te verhaelen hoe sij geleeft hebben. Men sal noyt historie schrijven, noch daer en syn soo langen als de wereldt gestaan heeft boecken uytgegaen, noch martelaren syn die geleden hebben gecregen. Van het begintsel des werelts tot nu toe en heeft men eenige tyrannen gevonden, die gedogt zouden hebben wat dese gedaan hebben.Men leest van de heydense tyrannen, van Turcken, van de Roomse Keyzers, maer haere tyranniën waeren maer kinderspeel tegen die der Lotteringen.

Sy hebben de kerken geransonneert, daer naer geschent, daer naer gebrant, de begijnen op den autaer naeckt geleyd soo als zij van moeders lichaem gecomen waeren, ende van 5, 6 ende oock van 10, den eenen voor en den anderen naer, haer vercracht, en daer naer vermoort, de heijlige ostie onder de voeten getreden, de ornamenten sommige vercocht sommige verscheurt en verbrant, de huyslieden 2, 3 à 400 t' samen vermoort, de dochters vercracht ende geschent en daernaer vermoort, de mans in de schouwen gehangen, sommige voor het vuyr gebraeden, sommige in sacken naeckt met drie catten levende gebonden en soo voor t' vuur geleyt, all om gelt van haer te becomen, casteelen, ganse dorpen geschent en verbrant. Als men quam tot Brussel bij den hertog van Lotteringen clagen, dan hiel hij daer den geck mede, zoo dat deze tyrannie soo afgrijselijck was dat het op t' laatsten God verdrooten heeft."

Tussen 1648 en 1654 hebben de Lorreinse troepen voortdurend de streek onveilig gemaakt met opeisingen van geld, goederen en eten. Voerlui met karren werden opgeeïst voor transport. Soldaten werden ingekwartierd. En als hun wensen niet onmiddellijk werden ingewilligd, dan namen zij het zich wel.

Als ergste baldadigheden van de Lorreinen zijn bekend :

-        6 december 1648 : 400 huislieden worden gedood te Meeu-wen

-        1650 : Berg aan de Maas (Nl.) : 40 huislieden gedood

-        1650 en 1651 : rooftochten te Opoeteren met zware schade

-        7 april 1651 : op Goede Vrijdag brandden de Lorreinen te Opglabbeek 38 woningen af; 2 mensen werden doodge-schoten

-        12 april 1651 : de woensdag na Pasen stierven te Lille 30 mensen na brandstichting in de kerk en toren; sommigen sprongen uit de brandende toren

-        1654 : Beringen werd verwoest en in brand gestoken

-        1654 : Peer werd geplunderd en in brand gestoken

-        1654 : Hamont werd verwoest en in brand gestoken

Ook al gebeurden geen grote baldadigheden op andere tijdstippen, dan wil dat niet zeggen dat de bevolking geen last had van deze vreemde troepen. Zo vermeldt Godelieve Geerkens: "In 1653 zijn er in Bocholt weer veel 'tijdige' van ruiters en van Lorreinen. De soldaten van Alemani zijn verschillende keren in Bocholt te gast. Als de Lorreinen in Bocholt waren, kwamen ze ook in de omgeving. Zo behoren Achel, Hamont, Pelt, St.-Huibrechts-Lille, Weert en Roermond tot de plaatsen waar het een voortdurend komen en gaan van vreemde troepen was."

Paaswoensdag 12 april 1651

Wat de verschillende plundertochten van de Lorreinse troepen tussen 1648 en 1654 in Sint-Huibrechts-Lille hebben aangericht, kunnen we niet vertellen, want hierover bestaat er geen archief.

Zelfs van de rampspoedige 12 april 1651 vinden we in Sint-Huibrechts-Lille weinig gegevens. Uit één van de weinige documenten uit die tijd (8) vernemen we het volgende :

Prinsbisschop Maximiliaan-Hendrik van Beieren (1649-1688) gaf op 24 februari 1652 toelating aan Lille om gemeentelijke gronden te verkopen en dit op aanvraag van de gemeente. Deze meldde in haar verzoekschrift dat zij "est réduit à très grande misère et pauvreté principalement par le désastre déplorable leur survenue l'année passée lorsque les soldats Lorrains ont attaqué de force leur église laquelle par un malheur et cruauté inouyé at esté bruslée y ayant esté consummés par le feu trente personnes et beaucoup de hardes et meubles".

De gemeente verklaarde dus dat zij door een betreurenswaardige ramp tot grote ellende en armoede is herleid toen vorig jaar Lorreinse soldaten met geweld hun kerk hebben aangevallen. Deze is afgebrand door een ongelukkig toeval (?) en door ongehoorde wreedheid. Hierin zijn door het vuur 30 mensen dood gebleven. Ook veel huizen met hun inboedel zijn afgebrand.

De precieze datum van de kerkbrand komen we te weten uit het parochiearchief van Hamont (9): het gebeurde op woensdag in de paasweek of 12 april 1651.

Hier komen we de namen van twee overledenen tegen :

-        'Op … 24 april 1651 overleed Theodora Smets uit Peelt, die op woensdag in de paasweek uit de brandende toren van Sint-Huibrechts-Lill was gevallen.'

-        '18 april 1651 is Maria Cocx uit Lill ten huize van Joannes Alarts zonder eerst nog tot het bewustzijn te zijn gekomen, overleden, nadat ook zij uit de toren van Sint-Huibrechts-Lill was gevallen.' Maria Cocx was getrouwd met Corst Poelmans en woonde in het dorp, in het huis waar later meester Theodoor Kreemers heeft gewoond. Een niet onbelangrijk detail voor mezelf is dat door haar overlijden ik er nu ben. Corst Poelmans en zijn 2de vrouw zijn immers stamouders van mij.

Een andere mogelijke overledene is schoolmeester Adriaen Cuypers. Zijn vrouw, Jehen of Johanna, verklaarde achteraf dat haar man "armenmeester Adriaen Cuypers doen der Liller Kercke afbrandde opten selven toren heeft begheert ende comparante medebegheirde tsamender handt dat hun oudste soone voor syn primogenituere vooruyt sal hebben een fransse croon, een rijcxdaeler". (10) Zij hebben in de brandende toren hun testament gemaakt! Of Adriaen Cuypers overleden is, weten we niet met zekerheid, maar in 1652 wordt Frans Van Helmont alias van Aelst als schoolmeester opgetekend.

Andere mogelijke overledenen hebben we gehaald uit de meldingen van de erfenisrechten in de gichten van Grevenbroek op 10 en 17 mei 1651.

Volgende overledenen worden hier aangehaald:

-        Lambrecht van Hool

-        Anna Moorsen

-        Anna Lemmens

-        Houb Gubbels en Jen Steenselmans

-        Margriet van de Laer, weduwe van Lenaert Peeter Waels

-        Maria Cuypers alias Geenkens.

Wie die andere overledenen zijn, is op dit ogenblik niet duidelijk. Pastoor Jacobus Verlinden aangesteld in 1652 geeft een lijst met meer dan 30 overledenen. Het lijkt ons dat dit de overledenen zijn na zijn ambtsaanvaarding, want vanaf 1657 geeft hij meer gegevens over de overleden persoon dan zijn naam.

Tijdens de brand gingen ook vele archiefstukken en registers van de parochie verloren. Het was de gewoonte bij dreigend gevaar de belangrijkste bezittingen in koffers in de kerk in 'veiligheid' te brengen : in 1646 en 1671 stelden de aartsdiakens bij hun visitatie vast dat de kerk vol koffers stond ('reperta fuit ecclesia plena cistis') ; aan de inwoners werd bevolen deze koffers voor Allerheiligen uit de kerk te halen (11).

In het schrijven van de gemeente aan de prinsbisschop wordt gesproken over een ongelukkig toeval en de ongehoorde wreedheid van de Lorreinse soldaten. Pastoor Verlinden zal zonder een verduidelijking te geven dit toeval gebruiken om de gemeente de oorzaak van het afbranden van de kerk in de schoenen te schuiven : "dat die gemeijnte oirsaeck was van het affbranden" en "dat consequentlijck sij gehouden was tot reaedificatie derselver". De gemeente had dit ontkend. Hierdoor ontstonden grote processen; de kerk bleef afgebrand liggen tot 1655.

Lorreinen 46.184

Op 22 april 2001, 350 jaar na de feiten, hebben we dit tragische gebeuren herdacht.

Met het luiden van de tiendenklok werd symbolisch alarm geslagen om tien uur. Het dramatisch gebeuren werd vertolkt door de drumband van de Koninklijke Schutterij "Sint-Sebastiaan" met het muziekstuk "Emotions of Life" van Charles van Zanten.

Na de misviering werd toelichting gegeven over de periode 1648-1654 en 12 april 1651.

Vervolgens onthulde burgemeester Raf Drieskens de gedenk-steen, die inmiddels aan de kerktoren is aangebracht.

 

François Joosten

 

Een jaarabonnement kost € 12,00  Abonnee worden?