HEEMKUNDIGE KRING

Sint-Huibrechts-Lille

Onze speelplaats

Onze speelplaats

jongensschool oude prentkaarten001De inhuldiging van het mijnwerkers-monument aan de Lindestraat was om meer dan één reden een moment van nostalgie voor de talrijke aanwezigen. Want verrassend genoeg was ik niet de enige die op dat moment even weg mijmerde bij het wedervaren van onze jongensschool en vooral dan haar speelplaats. Ik heb in 1965 mijn transfer van de kleuterschool naar de lagere school gekregen. Vermits er toen in het onderwijs nog een strikte scheiding der geslachten bestond, werden we daar gedropt in een echte mannenwereld en dat hebben we vanaf het begin geweten. Vooral op de speelplaats gold de wet van de sterkste onder de scholieren. Uw plaats werd slechts veroverd met behulp van een stel stevige – al dan niet geveinsde – spierballen.

Ge moet u die speelplaats nu ook weer niet voorstellen als een slagveld waarvan permanent slachtoffers werden afgevoerd, maar om gerespecteerd te blijven was het toch wel nodig dat ge in de worstelpartijen die door en onder leerlingen werden georganiseerd eens regelmatig een tegenstander onder de knoet wist te houden. En als die tegenstander dan op een hoger studiejaar zat, betekende dit grenzeloze roem over de gehele speelplaats. Ik blijf trouwens de indruk toegedaan dat die confrontaties oogluikend werden gedoogd door de toezichthoudende leerkrachten. Die speelplaats was toen een onverharde zandvlakte met links en rechts nog enkele graszoden, dus kan ik mij niet herinneren dat er ook maar één leerling kleerscheuren aan die krachtmetingen heeft overgehouden. Dankzij die ondergrond was ze trouwens zeer geschikt voor nog tal van andere activiteiten.   Zo staat het mij voor dat Jos Schoemans ons zakken knikkers heeft lichter gemaakt. In mijn herinnering was hij de knikkerspecialist van onze generatie, of het nu het klassieke knikkerspel betrof, waarbij ge uw knikker zo dicht mogelijk in de buurt van de opgegooide knikker moest werpen en met "spannen" werd afgemeten wie won, dan wel de variante waarbij knikkers uit een kuiltje moesten worden gekaatst. Tot de zonen van Jan Dewit zich met de zaken kwamen bemoeien. Zij hadden het onmiskenbare voordeel van de loonwerkerzonen, die van thuis een heel arsenaal lagers "looien" konden meebrengen. Uiteraard vermochten onze lichte glazen knikkers niks tegen dat metalen geweld. Ons enige verweer bestond er dan in om looien te gaan afkopen in ruil voor een handvol glazen knikkers. Zoals het in een teutendorp betaamt bloeide dus ook op de speelplaats de "commerce" welig.

Uiteraard werden er tijdens de speeltijd ook talloze potten voetbal gespeeld. Iedere klas had zijn eigen lapje speelplaats waarop aan beide zijden twee denkbeeldige doelpalen van op de neergekwakte jassen omhoog rezen. Alleen tijdens de middagspeeltijd werden alle "blijven-eters" vermengd en opgedeeld in twee ploegen. Driekwart van de speelplaats was dan één groot voetbalterrein en zelfs sommige leerkrachten konden dan niet aan de verleiding weerstaan om hun voetbalvernuft te demonstreren. Vooral meester Goyens, meester John moest toen nog geboren worden, zorgde er dan voor dat de beide partijen mekaar in evenwicht hielden. De speelplaats werd toen afgebakend door de Schoolstraat, het kerkhof en het wegeltje dat bij smid Van Herck vertrekt en bij François Wils aansluit op de Lindestraat. Uiteraard gebeurde het al eens dat een bal op het kerkhof terechtkwam. In mijn eerste lagere schooljaren was ik in grote bewondering voor de knapen die over de kerkhofmuur klauterden om de bal te recupereren. Mijn ontzag betrof nog meer de hoogte van de muur dan de bewoners er achter. Menigen slaagden er in om op de muur te geraken, er in hun jeugdige overmoed aan de kant van het kerkhof vanaf te springen, om dan vast te stellen dat de muur aan de andere kant hoger was. En vermits wij alleen nog oog hadden voor onze heroverde bal... Aan de overzijde van de speelplaats vormde het plat dak van de toiletten dan weer een vangnet voor onze bal. Gelukkig waren er altijd wel acrobaten die gewoon op zo'n gelegenheid stonden te wachten om langs de regenpijp tot op het dak te klauteren.

Kerkhof en jongensschoolNaast die toiletten stond een zandbak, afgezoomd met een boord van ingemetste kasseien. Die zandbak was dan weer de arena voor geweldige ruitergevechten. Het kwam er op aan om de stevigste klasgenoot voor je te winnen, op zijn rug plaats te nemen en de strijd aan te binden met ieder koppel dat u durfde uitdagen. Vermits ik een lichtgewicht was, was ik een populair ruiter en had ik mijn strijdros maar voor het uitkiezen. Mijn voorkeur ging dan onveranderlijk uit naar Theo Lauwers, die nog met geen tank omver te krijgen was. Maar dat was allemaal klein bier bij wat er in de wintermaanden te gebeuren stond. Vanzelfsprekend waren ook in mijn jonge jaren de winters véél harder dan nu, vroren de stenen uit de grond en werden we gezegend met bergen sneeuw. De ijsbanen zorgden natuurlijk voor weergaloos slibberplezier, met bijhorende uitschuivers, maar het spektakelstuk waren de sneeuw-ballengevechten. Meestal waren het de jongens van het zesde studiejaar die de strijd aanbonden met de overigen, waarbij de allerjongsten zich angstvallig afzijdig hielden. Beide groepen stelden zich spontaan in een lange slagorde op, legden een voorraad projectielen aan en trokken ten strijde. Af en toe forceerden enkele laatstejaars een doorbraak, maakten een paar krijgsgevangenen, die ze pas vrijgaven nadat er letterlijk sneeuw op het menu had gestaan. En telkens weer vermocht de macht van het aantal nauwelijks iets tegen het overwicht van de "groten" die hun opponenten tot tegen de muur van het (toen) nieuwe schoolgebouw (nu muziekzaal) terugdreven om ze daar te onderwerpen aan een spervuur van sneeuwballen. Ik herinner mij dat de gebroeders Moors over de twee kampen waren verdeeld en Jef van een moment onachtzaamheid bij Toine gebruik maakte om hem een flink aangedrukte sneeuwbal tegen zijn oor te keilen. Wat volgde was een rauwe "nondedjuu Jef", een wilde achtervolging die eindigde achter de fietsenrekken en waarvan de afloop gelukkig aan mijn onschuldige kinderogen is onthouden.

En dan was er nog het voorbijtrekken van het Belgische leger, zondermeer één van de hoogtepunten uit ons speelplaatsbestaan. Van ver hoorden we de tanks al komen aanrollen en dan stoven we naar het hekwerk aan de Schoolstraatkant om een glimp te kunnen opvangen van dat militair geweld, terwijl de grond onder uw voeten daverde. Meester Quanten, die toen les gaf in het lokaal aan de Schoolstraat, tegenover Jan Dewit (nu kantoor van François Vandael), moest dan het raampje boven de deur sluiten om te vermijden dat het naar beneden zou denderen.

En toen gebeurde het onvoorstelbare. Onze speelplaats werd verhard! Het moet in het schooljaar '68-'69 zijn gebeurd. Driekwart van de speelplaats kreeg een asfaltlaag. In mijn geheugen gebeurde die facelift van de ene dag op de andere, liet je 's avonds een zandvlakte achter en trof je 's anderendaags een plein aan. In werkelijkheid zal de uitvoering wel iets trager zijn verlopen. En ineens was de jongensschool de jongensschool niet meer.

Krachtmetingen konden alleen nog in de zandbak, schuivers en "pootje haken" werden van de voetbalmenu afgevoerd en knikkers voelden een onweerstaanbare aantrekkingskracht vanuit de goot die doorheen het midden van de speelplaats liep. Maar kinderen zouden geen kinderen zijn als ze van de nood geen deugd maakten. Rolschaatsen werden aangebonden en meteen oogde onze speel-plaats als een vlakte waarover talloze "schrijverkes" gleden. De jongens die geen rolschaatsen hadden, brachten koorden mee en lieten zich gewillig "voor de kar spannen". Alleen de dapperste en meest bedreven rolschaatsers durfden het aan om zich op die manier voort te laten sleuren want het risico om uit de bocht te gaan was niet denkbeeldig.   Zo heeft menig menner die zich liet voorttrekken door Theo Paesen – een "draver van huis uit" – zijn jeugdige overmoed bekocht met kapotte knieën of een gat in de broek.

En nu blijven dus alleen nog de beide lindebomen als stille getuigen van het wedervaren van onze jongensschool. Voor mij staan ze voor altijd symbool voor jaren van zorgeloos speel-plaatsplezier, ook al waken zij nu over de herinnering aan onze Liller mijnwerkers in plaats van over dartele jongetjes...

Erik Eerdekens

 

 

Een jaarabonnement kost € 12,00  Abonnee worden?