HEEMKUNDIGE KRING

Sint-Huibrechts-Lille

Lille in herinnering door Christine Bertho

jeneverstokerij heidebloem 104.1 jg 1992 nr 1

 

Als ik het zo naga was Lille een schoon dorpje en een dorpje waar pit in zat. Zijn er nog, die zich de likeurstokerij “De Heidebloem” herinneren? Die werd beheerd door Hollanders en de directeur heette, als ik me nog goed herinner, Leermaekers. Zijn zoon heette Frans en ze waren van Dordrecht.
Met Lille kermis ging rond 1907 of 1908 een stoet uit en daar was een huifkar bij, geheel versierd met heidebloemen en op die huifkar stond een jenevervaatje en een man of vier met een borrel in de hand. Ze riepen maar van “santé” en of hun borrel gevuld was weet ik niet, maar ze bedoelden het toch goed.

 

 

 

Dan was er een bierbrouwerij van Willem Winters. Zijn vrouw was de zuster van mijn moeder. Er was geen lekkerder bier in de omtrek, zegden de mensen.
huis klok 1 jg 2000 nr 4 jg 2004 nr 1

Dan was er de leerlooierij van Klok. Ik ben daar eens in geweest. Ik moest van vader daar iets gaan afgeven, ik geloof een groot mes. Vader had het in papier gerold en ik moest het geven aan Neel Fransen. Ik moest langs het gangetje gaan en door een groene poort binnenstappen. “Als ge niemand ziet moet ge maar eens roepen!” Maar ik zag ze zitten, Neel en zijn zoon, ik meen dat hij Grarus heette. Ze zaten op een houten blok een koevel te bewerken. Ik zei “Ba dat stinkt.” “Wacht maar tot het gelooid is, dan riekt het lekker! Kom,” zie Neel tegen zijn zoon, “we zullen het vel in de kuip doen.” Nieuwsgierig keek ik toe. Die kuip stak zo een halve meter boven de grond en toen het vel erin lag, strooide Neel daar iets bruins over. Hij zegde: “Dat is eikenschors!”

Ik was fier, dat ik wist hoe ze leer maakten. Zo was mijn vader eens bij Jan Klok, de looier, en ze hadden het over die berg afval van dat looisel.
Hij zegde: “Ik gaf geld als ik daar vanaf geraakte en nochtans met twee kruiwagens ervan en een emmer vet gruis goed ondereen gezet en een beetje water, maakte je er brikken van. Dat brandt zo goed als turf.”


Later toen de oorlog in 1914 uitbrak en er tekort aan kolen was, heeft mijn vader een kar afval gehaald en inderdaad, dat brandde goed en het gaf goede warmte. Wij hadden er een hele partij te drogen staan en op een nacht waren er liefhebbers geweest. Maar, allé, ’t was oorlog.

Dan was er nog de kolenhandel Klok en ik geloof dat ze ook in meststoffen deden. Ik zie nog Janus, die de kolen van het station naar het magazijn voerde met een stevige kar en een bruin paar.

Ook weet ik nog heel goed dat met Lille-kermis op 15 augustus iedereen een grote hoeveelheid vlaaien en krentenbrood bakte. En lekker dat die vlaaien waren! Mijn voorkeur ging naar “greumelkensvlaai”. Nu nog bak ik ook nog veel vlaaien, maar “greumelkensvla” kan ik niet maken, wel “eiervla”. Dat heb ik geleerd van een Walin en als ik die maak zijn mijn kinderen er graag bij. Ik heb er eens 14 gebakken en toen ze allen naar huis keerden namen ze de overschot ook nog mee!

In Lille was er alles: een beenhouwerij, een bakkerij, een blokkenmaker, verder veel winkels en herbergen, timmerlieden en noem maar op.
Ik mag ook de smid niet vergeten, want in die smis kwam gewoonlijk al het nieuws uit de omtrek toe. Tussendoor werd in die smidse ook nogal eens fel geborreld.

witte broekenmet café van vlierden peerderbaan archief Luc StalmansEn, bestaat in Lille nog vastenavond zoals vóór 1914? Dat werd toen duchtig gevierd. Daar hadden de jonge mannen van 20 jaren een club. De leden droegen een witte broek en een witte pet en met vastenavond ‘s zondag moesten die de kop van een gans aftrekken. Die gans werd door de club van de getrouwde mannen goed met koord en dunnen ijzerdraad bewerkt. Dan werd die gans aan een zeel over de straat langs weerskanten aan een boom bevestigd. De witte broeken moesten dan een kar op die getrokken werd door de oudere mannen en dat ging op een drafje. Als de jonge mannen bijna de kop vast hadden, werd er aan het touw getrokken en dat spel kon soms meer dan een uur duren. Hij die de kop eraf kreeg, werd koning. De kop van de gans werd op een stok gebonden en met papieren rozen en linten versierd. Met veel lawaai zongen de jonge mannen dan: “O, die schone witte broek. Die past onze jongens goed en een schone witte pet, opgelet! Zie, hoe onze jongens gaan. Ze dansen en springen over de baan.” En met een harmonica ging het dan café in en café uit. Het was een heerlijke boel en van de witte broek en witte pet zongen ze uit volle borst tot in de late uurtjes tot “de witte broek en pet” maar schor meer klonk.


De man met de harmonica was Driek Naus. Zijn zuster is nog meid van de pastoor geweest. De getrouwde mannen, de meesten met een strohoed op, moesten met de tweede vastenavond een haan de kop aftrekken en die was natuurlijk door de jonge mannen bewerkt, ook met koord en ijzerdraad. Maar zij moesten niet de kar op: hun knoken waren daar te stijf voor.
Hij die er de kop af kreeg, werd ook koning en zijn hoed werd ook versierd met papieren bloemen. Met de versierde hanenkop op een stok ging dat café in en uit.

timmermans lucie de geit 58.26 jg 1985 nr 1In die tijd waren er nogal wat herbergen. Ik zal ze eens allemaal opnoemen en ik begin aan het station: 1. Wouters 2. J. Verlinden 3. Lucie Timmermans 4. Marie Linsen 5. Tisken Oyen 6. Albers aan de brug 7. Ballings 8. Bertho 9. Van der Velden 10. slachter Jansen 11. Pels 12. Christ Bloemen 13. Van Gompel 14. Bert Van den Weijer 15. Keunen de secretaris 16. Stalmans op de Kompen.
Dan was er nog een café tegenover het gemeentehuis. Het was er ook winkel, maar de naam ben ik vergeten.
Er was nog een café op de Kiezel. Ik meen, dat die Vanwinkel of zoiets heette. Die woonden in het oude huis van mijn grootmoeder en er was een kegelbaan en een beugelbaan.

In Lille moesten ze niet met een droge keel lopen. Winkels waren er ook genoeg. Ik geloof 10 of 11. In Lille was alles te krijgen in de goede, oude tijd. Dat was vóór 1914.
Ik zeg het nog eens: in die tijd zat er pit in ons klein Liller dorpje.

En zeg eens, staan er nog van die schone oude huisjes? Ik heb dat oude huis van Bert Van de Weijer nog gekend. Het stond daar zo schoon, laag tegen de grond met zijn groene deurtjes en luiken en de waterput een 10 meter vóór de deur.

 

Dan, ’s zondags na de hoogmis kwamen er enige bejaarde mannen in onze herberg met de kaart spelen en dat duurde tot rond half één. Dan trokken ze naar huis, want dan had moeder de vrouw het eten gereed gemaakt. moonen petrus 12.40Bij die kaartspelers was Pierjantje Moonen en als die een slag gewonnen had, was zijn gewone vloek: “Sapperdematenk!” en dan sloeg hij hard met de vuist op de tafel.
Ik heb nog geweten dat zijn zoon zijn eerste mis heeft opgedragen. Toen woonde Pierjantje nog in zijn oud huis en dat was schoon versierd. Tot zelfs zijn karschop was versierd!
Als het mij nog goed voorstaat heeft Lille ook nog een honderdjarige gevierd. Ik geloof dat hij Thomas de Bakker heette. Ik was nog erg jong en dat is nu al lang geleden, want ik ben de 82 gepasseerd.


Zo was er in Lille nog een oude schoenmaker. Hij heette Fons de Bruyn. Mijn broer Jaak had graag eens een paar goed gemaakte schoenen gehad met hout gepind. Fons zou die maken. Hij moest de maat laten nemen en 14 dagen later mocht hij ze gaan halen. Fons had ze een halve centimeter groter gemaakt, maar 14 dagen later, toen mijn broer zijn schoentjes ging halen, verschoot hij toch een beetje. Fons zegde: “Die moet ge met goede blink poetsen en dan blinken ze als een spiegeltje!”
In alle geval, sterk waren ze, maar ze wogen een kilo per schoen en mijn broer had een halve gazet nodig om ze vooraan te vullen.


En zo was ons lief dorpje uit de Noorderkempen.

Christine Bertho

Een jaarabonnement kost € 12,00  Abonnee worden?