HEEMKUNDIGE KRING

Sint-Huibrechts-Lille

Het kerkhof

 

Kerkhof met kerkHet huidige kerkhof in Sint-Huibrechts-Lille is aangelegd te samen met de bouw van de nieuwe kerk in 1912.

Het is nog een typische begraafplaats, onmiddellijk palende aan de kerk en waar de overledenen van het kerkdorp werden ten grave gedragen en aan moederaarde werden toevertrouwd. Na de fusie van Sint-Huibrechts-Lille met Neerpelt op 1 januari 1977 werd kort nadien besloten deze begraafplaats niet meer te gebruiken. Enkel begravingen in kelders in concessie gegeven zijn nog toegelaten. Door de “tand des tijds” en de mogelijkheid die er bestaat om nabestaanden van dit kerkhof op te graven bij gelegenheid van nieuwe begravingen van familieleden op de nieuwe gemeentelijke begraafplaats, vermindert de bezettingsgraad van dit kerkhof elk jaar. Het is de bedoeling van deze nota historische elementen aan te reiken die bijdroegen tot het ontstaan en het gebruik van dit kerkhof.

Graag verwijzen wij ook naar een artikel van Luc Stalmans over “Het Lilse Kerkhof” verschenen in Het Liller Heem, jaargang 1993, nummer 1, blz. 8-16, dat een aanvulling betekent op de gegevens van deze bijdrage en waarvan dankbaar gebruik werd gemaakt.

Toestand voor de bouw van de nieuwe kerk in 1912.
In de oudst gekende tijden werden de dode lichamen verbrand en al dan niet in een urne begraven. Bij opgravingen op het gehucht “De Kolis” en “De Roozen” vond men nog diverse van deze urnen terug. Uit deze opgravingen is men thans ook zeker dat aldaar vroeger een Gallo-Romeinse nederzetting is geweest. De artikels van deze opgravingen zijn verschenen in het tijdschrift ‘Het Liller Heem’.
Onder invloed van de kerk ging men over tot het begraven van de lijken, eerst gewikkeld in een doek of een mat, later gelegd in een kist liefst kort bij de kerk, in de tuin van de kerk. Rijkere mensen werden zelfs in de kerken begraven. Hiertegen is vlug verzet gerezen op basis van de gelijkheidsgedachte en anderzijds omdat deze gefortuneerde mensen wel eens “rijke stinkers” waren in de letterlijke zin van het woord. Het ontstaan van het wierookvat zou zijn ontstaan te danken hebben aan de kwalijke geuren die wel eens in de kerk hingen. De wierookwolken milderde de onwelriekende geuren van de “rijke stinkers”. Op de graven buiten werden in de eerste eeuwen zelden kruisen of gedenktekens gezet. Toch vinden wij in de toren van Lille twee grafkruisen (dus van voor 1652) ingemetseld. Het zou een gebruik van weleer zijn geweest.
In de vroegste tijden werd het kerkhof aangezien als een soort van vrijplaats, een vrijthof, een ommuurde plaats toebehorende aan de kerk en waarvan bijgevolg een zeker gezag uitging. Om die reden werd het kerkhof ook voor andere doeleinden gebruikt. Het kerkhof was een ontmoetingsplaats van mensen van allerlei slag die er handel dreven, dansten en muziek maakten. Begrijpelijk dat sommige mensen zich aan zulke handelwijze stoorden. In 1231 verbood het concilie van Rouen het dansen op het kerkhof. Een ander concilie, gehouden in 1405, verbood naast het dansen alle vormen van kansspel, optreden van wonderdokters, goochelaars, enz. Toch bleef de openbaarheid van het kerkhof nog lang intact en het duurde nog totdat Napoleon een nieuw decreet uitvaardigde vooraleer hieraan een einde gesteld werd.
De datum van 12 april 1651 lijkt ons een bijzondere datum. Lorreinse soldaten vielen de kerk aan en brandden ze af. Dertig mensen bleven dood achter. Vele archieven gaan verloren. De gemeenschap Lille zit in zak en as. Geen gebedshuis meer en alles rond de kerk en toren is vernield. Blijkbaar komt deze onthutsende toestand ter ore van de bisschop van Luik. Uit de archieven van het ambt van Grevenbroek blijkt dat Prins-Bisschop Maximiliaan van Beieren op 24.02.1652 een stuk heide schenkt aan de parochianen van "Lille-St.-Hubert" om de kerk herop te bouwen. Hoe de kerk voor 1651 eruit gezien heeft, weten we niet, maar de grootte van de kerk van 1655 en de plaats van het kerkhof kunnen we afleiden uit het kadasterplan van 1826 (zie verder). De kerk van 1655 heeft immers dienst gedaan tot 1845, toen pastoor Spierings besliste een andere kerk te bouwen. Lille was in 1651 een kleine rurale nederzetting met een beperkt aantal inwoners. In 1699 kende ons kerkdorp bij benadering nog maar 476 inwoners.

Er zijn enkele voorvallen bekend met betrekking tot het oude kerkhof. Dat het Lilse kerkhof dienst deed als openbare plaats mag blijken uit volgend gegeven. Op 13 maart 1673 wordt tussen Marij Duffels, weduwe van Deyrick Van Hool en Aart Houben een overeenkomst gesloten. Aart Houben heeft op St. Michielsdag:

“Bij onnosel ongeluck, deyrick van hool, omtrent het kerckhof van Lille, alwaer beyden die wachtte hadden, doodgeschoten. Hij zal uit dien hoofde een voetval moeten doen, 24 gulden betalen voor zielemissen en 50 gulden voor de armen”.

Kerkhof 3En een ander voorval halen wij uit een akte verleden voor notaris Mardaga te Overpelt op 20 mei 1776. Ook hier blijkt dat het kerkhof een openbare plaats was waar belangrijke dingen beslist werden. Michel Lambrechts uit Overpelt vordert terug in St.-Huibrechts-Lille, de onroerende goederen op de Geuskens gelegen en die door de gemeente in gebruik zijn genomen nadat zijn grootouders, Lambrechts Jacobus en zijn echtgenote Gertruy Geuskens, in 1724 hun boerderij aldaar desolaat hebben achtergelaten. De substitute burgemeesters, Henricus Kerkhofs en Mathijs Custers, willen deze vordering naar ieders tevredenheid oplossen en besluiten:

”Ingevolge van welch sij comparanten op heden diendende dag en ure, naer drie mael de thiende clocke deser gemeynte te hebben doen luyden teneinde van vergaderinge met hun gemeyntenaeren en geërfde op het kerkckhof alhier in de schoole, gewoonlijck vergadereplaatse deze gemeynte van Lille, vergadert seynde...”.

Op het kerkhof stond dus een gemeenteschool die mede dienst deed als vergaderruimte voor de gemeente-ingezetenen. Deze toestand duurde zeker tot 1826 volgens de kadasterkaart, zoals u hieronder kunt zien.Vanaf 1827 tot 1876 stond er een school in de Dorpsstraat, thans de huizen van bakker Jalina en Ras.

Het “Edict van den Keyser” van Josef II, keizer van Oostenrijk-Habsburg, ”aengaande de begraefenissen” van 26 juni 1784 bepaalde voor de eerste keer dat begraven in “ene Kerk, Kapelle, BidPlaats of ander bedekt Gebouw” verboden was. De steden moesten al een begraafplaats aanleggen buiten “den omtrek van Steden en buyten de Vlecken of Borgten”.
Elk kerkhof had gewoonlijk buiten haar muren ook een verdomhoekje, ooit ook wel hondenhoek geheten. Het was het perceel waar mensen werden begraven die zeker “verdoemd” zouden zijn. Het was de ruimte waar ketters, zelfmoordenaars en Joden op één hoop de hel in geveegd werden.
Volgens het artikel XXI van dit zelfde keizerlijk decreet moest op elk kerkhof een plaats gereserveerd worden voor de protestanten om hun doden te begraven dan wel moest hun een eigen stuk grond gratis worden toegewezen. Dat er omtrent de uitvoering van dit decreet zeer veel te doen is geweest, spreekt voor zich, vooral toen rond het midden van de 19de eeuw de andere erediensten en de vrijzinnigheid nadrukkelijker op hun rechten begonnen te staan. Pas in 1891 kwam er, met goedkeuring van de aartsbisschop van Mechelen, een compromis tot stand. De wijding der kerkhoven werd vervangen door een wijding van percelen.

Na de invoering van de Franse wetgeving door Napoleon op 1.10.1795 werd er uitsluitend begraven buiten de kerken, op het perceel onmiddellijk er aan palende. Het woord kerkhof spreekt al voor zichzelf. Het decreet van 23 prairial van het jaar XII van de Franse tijdrekening ( 12.06.1804) regelde het vergroten en de aanleg van nieuwe kerkhoven. Het keizerlijk decreet van 4 thermidor van het jaar 13 regelde de dienst in de kerken en bij begrafenissen. Deze toestand van begraven onmiddellijk tegen de kerk aan bleef in Lille bestaan totdat er nood was aan een uitbreiding van de kerk zelf in het begin van de jaren 1900-1910. Ze hadden een deel van het kerkhof nodig voor de nieuwe kerk.

Een nieuw kerkhof wordt aangelegd in 1912.
In de gemeenteraadsverslagen van de oude gemeente Sint-Huibrechts-Lille vinden wij een eerste spoor in de notulen van de vergadering van 1 maart 1909. Uit de tekst van de beraadslaging kan het volgende opgemaakt worden:
- Het toen bestaande kerkhof was 15a 80 ca groot.
- De uitbreiding van het kerkhof was nodig om reden dat een groot gedeelte van het bestaande kerkhof zou ingenomen worden door de uitbreiding van de kerk.
- Zelfs zonder de uitbreiding van de kerk zou het bestaande kerkhof te klein zijn voor een gemeenschap van 1100 zielen.
- Naast het bestaande kerkhof ligt nog een perceel grond van de kerkfabriek, groot 25a 55 ca dat voldoet aan de geldende normen van de Franse wetgeving op de aanleg van nieuwe kerkhoven.
- Het plan van de uitbreiding van het nieuwe kerkhof is al klaar.
- De gemeenteraad vraagt aan de hogere overheid de toelating om het bestaande kerkhof te mogen vergroten volgens de voorliggende plannen.

KerkhofIn het zelfde jaar 1909 op 23 mei neemt de gemeenteraad een andere beslissing om toelating te vragen aan de hogere overheid om een nieuwe kerk te bouwen. De raad stelt dat de kerk die in 1845 gebouwd werd te klein geworden was om de gelovigen “met vrucht en zonder gevaar te loopen hunne gezondheid te kreuken hun godsdienstplichten te laten vervullen”.

Het wordt 1910 vooraleer men de werken tot vergroting van het kerkhof goedkeurt. Op 2 maart 1910 stelt de gemeenteraad vast:
- Dat de hogere overheid de gemeente gemachtigd heeft om het kerkhof te vergroten van 15a 80 ca naar 30a55 ca.
- Dat de gronden voor de uitbreiding van het kerkhof erg laag liggen en aangevuld moeten worden.
- Dat er volgens de wettelijke bepalingen van 23 prairial van het jaar XII (12.06.1804), een afsluitmuur moet opgericht worden, aangevuld met een afsluit- en ingangshek.
- Dat er ook een dodenhuisje moet opgericht worden. Het ontwerp opgemaakt door arrondissementsbuurtwegcommissaris Gruyters werd aanvaard.
- Dat er een lastenkohier door deze zelfde Gruyters opgemaakt werd in het “Vlaamsch en in het Fransch” voor deze werken en dat de kosten werden geraamd op 12.600 frank.

 


De gemeenteraad besluit dan de toelating te vragen om de voorziene werken te mogen uitvoeren. De kosten der werken zouden gedragen worden voor 1/3 door het gemeentebestuur en voor de resterende 2/3 door de provincie en door de staat, “gezien de slechte toestand onzer gemeente”. Op dat ogenblik is de heer Ceelen burgemeester, Spaas en Winters schepen, Dries, Moonen en Gielen raadsleden en Hendrik Keunen gemeentesecretaris. De gemeente bezit een spaarboekje ten bedrage van 1.056 frank en heeft de beschikking over 4.000 frank aan fondsen op het grootboek der openbare schuld van België.
De werken tot aanleg van het nieuwe kerkhof werden aanbesteed op 11 augustus 1911 te Hasselt. De Gouverneur vraagt op 21 augustus 1911 aan de gemeenteraad bij hoogdringendheid een beslissing te treffen over de toewijzing van deze werken. Bij de aanbesteding waren er twee onderschrijvers: Van Werde Nicolas uit Achel voor de som van 11.610 frank en Vangroenendael uit Breda voor de som van 11.725 frank. Op 24 augustus 1911 reeds wijst de gemeenteraad de werken toe aan Van Werde Nicolas uit Achel. Op 16.1.1912 betaalt de gemeente 360 frank als toezichtskosten voor deze werken (gemeenterekening 1912).

Kerkhof 2Aangezien op 3.2.1912 reeds de aanbesteding doorging van het tweede gedeelte van de kerk en de toewijzing van dit werk eveneens aan Van Werde Nicolas uit Achel gebeurde, mogen wij ervan uitgaan dat kort nadien de werken voor het nieuwe kerkhof beëindigd werden. Wij rekenen dus 1912 aan als het jaar waarin dit nieuwe kerkhof in gebruik genomen werd.

De zerken van de oude graven werden gebruikt om een stoep aan te leggen rond de kerk, zodat de volgende generatie alsnog zou weten wie onder de nieuwe kerk begraven ligt. Naar alle waarschijnlijkheid is van het oude kerkhof slechts één grafkruis overgebleven, het grafkruis van de familie Bartels-Peeters (1802). Andere bewaarde grafzerken, alle van Lilse pastoors, werden door de heemkundige kring geplaatst naast de kerk.

 

Sluimerend bestaan.
Van 1912 af tot op heden leidt dit kerkhof een sluimerend bestaan. Vele mensen uit dit kerkdorp werden er begraven. Een aantal gefortuneerde burgers lieten graftomben bouwen en vroegen een concessie aan. Thans liggen er nog 472 graven. Omwille van plaatsgebrek werden in 1970 nog 10 graven geruimd en in 1975 20 graven.

Het is een site waar nog heel veel te vinden is van de geschiedenis van het kerkdorp Sint-Huibrechts-Lille. Burgemeesters, schepenen, pastoors, onderwijzers, nijveraars, oud-strijders uit beide wereld-oorlogen, burgerlijke oorlogsslachtoffers enz. liggen er begraven. Het is het levende geweten van de geschiedenis.

 

In 1957 liet pastoor Hendrikx aan de zuidkant een nieuwe doopkapel bouwen. Bij deze gelegenheid werden de oude grafzerken rondom de kerk verwijderd door aannemer Door Vandeweyer en vervangen door een stoep van rode baksteen. De opgebroken grafzerken alsmede de uitgebroken kerkvensters in Franse steen werden gedeeltelijk verkocht en gedeeltelijk overgebracht naar het stort (de weg van de Kampstraat naar de Rooie Pier), toen eigendom van de familie Hegmans-Monten.

Kerkhof 1Op 20 juli 1971 wordt de nieuwe wet op de begraafplaatsen goedgekeurd dat in een moderne regeling voorziet voor de verwijdering van de dode lichamen, met ondermeer nieuwe bepalingen voor verassing, bijzetting in columbarium en as-verstrooiing.

Juridisch is dit kerkhof nog niet gesloten. Er is wel de interne beslissing in de nieuwe gemeente Neerpelt van 1977 die stelt dat op dit kerkhof niet meer begraven zal worden. Enkel begravingen in kelders met een concessie worden nog toegelaten. Begravingen in gewone grond in graven met een concessie zijn het voorwerp van discussie met het gemeentebestuur. Opgravingen uit oude graven worden toegelaten bij gelegenheid van nieuwe begravingen op de gemeentelijke begraafplaats van “De Roosen” te Neerpelt.

 

Besluit.
Zonder enige bewarende tussenkomst vanwege de overheid dreigt dit zo typisch kerkhof, gebouwd in de geest van Keizer Jozef II en volgens de Napoleontische normen, langzaam maar zeker te verkommeren. Op dit ogenblik is het nog een parel en wordt goed onderhouden door het gemeentebestuur. De heemkundige kring draagt zijn steentje bij om omgevallen monumenten ofwel te restaureren of zodanig te plaatsen dat ze nog leesbaar zijn en ordelijk. Het dodenhuisje is omgevormd tot lokaal van de gemeentelijke onderhoudsarbeiders binnen het kerkdorp.

Het is de wens van de heemkundige kring om dit typische kerkhof voor het nageslacht te bewaren als reliek van een boeiend verleden in een oud-teutendorp.


Jos Vandervelden


Gebruikte bronnen
- L. Stalmans, Het Liller kerkhof, in Het Liller Heem,jaargang 11, nr.1, januari 1993, p. 8-16.
- F. Joosten, De kerktoren, in Het Liller Heem, jaargang 10, nr 4, 1992
- F. Joosten en D. Vandormael, Geschiedenis van het onderwijs in Sint-Huibrechts-Lille, vooral hoofdstuk II.
- Spruyt Ruud, De dood onder ogen.
- Klok H.I., Erfenis onzer voorouders
- Website Roermond, www.historie.Roermond.net/kaart/oudkerkhof (met ver-wijzingen naar wetgeving inzake begravingen)
- Website home.tiscali.be/wursten/prisse (met o.a. verwijzingen naar wetten over begravingen)
- Gemeentearchief Lille, vooral de notulen van de gemeenteraad en de rekeningen van 1910-1912

Een jaarabonnement kost € 12,00  Abonnee worden?